Optredens

 


 

Nieuws

 Nieuw op mijn website

2 liedjes van de voorstelling Café de puzzel. 

klik hier om ze te beluisteren.


 

Wedstrijd

 

De waan

De waan (uit: Waterval)

Naakt rust je op je stenen bed
en in je donkere haren
deint het gemende galop van de zee

De horizon geverfd, rood
brokkelt de dag af van de tijd
gebarsten als oude nagellak

Omzichtig evenwicht zoekend
op ’t kiezelstrand, je spreidt je armen
om een gedachte heen, je slaat

de opalen vissersboten gade,
waternimf, ademtocht van de wind
de waan dat je mij echt wenkt

 

Struikelstenen

Struikel

Om de namen van hen niet te vergeten
die een hel zagen zonder enige reden
stapsgewijs van vale straatstenen gevaagd
nu door een stolp van blinkende messing geschraagd

de inscriptie zwart als het as dat warrelde
door een verhitte lucht, doodszucht, beklaagden
op een weg besloten door een gillende vrees
die vogels en prikkeldraad snoerden, de kreet

van ontreddering verstomd in het trottoir
voor statige woningen die er zwijgend staan
getuigen van gezinnen beroofd van status
en voor altijd weer bruut afgevoerd, uitgeblust

door het reizen naar de verkommerde tijd
het komen bij de duivel thuis, het gelijk
struikelen in de kwade geschiedenis
over waanzin, moord en eeuwige droefenis


Middelburg De markt


Een schaal met garnalen en oesters
siert op een verstilde golf van ijs
de tafel, omringd door glazen water

en wijn. De zee spoelt rijk van bouillon
en een vleug citroen langs de papillen
van mijn zilte oorsprong. Een kordon

gamba's verliest het schild op muziek,
terwijl een toverachtige dienster
een deinen ontlokt om haar tuniek

legt een regenboog de vloer van chic
marmer in met schoven parelmoer
flonkert de Markt in het gouden venster


Het oudste schilderij van Breda

Met het zicht op een sombere hemel:

Jezus en een Samaritaanse vrouw,

teer verstild. Langs haar getooide kapsel,

met een blik die haar in ogenschouw


neemt, wikt Hij waar de rivier geschikt is

om lopend te gaan. Van de schans en het

kasteel, dwaalt een geur van gebraad en vis

Klinken schoten; de adel amuseert


zich met het jagen op vogels in park

Valkenberg. Ratelen karren en galmt

nijver gesjacher op de Grote Markt

rond de waren bij stal en kraam. Verlangt

menig sloeber naar voedsel; stijgt rumoer

op van de straat: aangeraakt door zalvende

handen, hun magere harten geroerd

door deze Joodse Bredanaar, volgen


ze Hem verlost. Door een bijkans ontdaan

gehoor gadegeslagen keert Hij via

het Vrouwengoed en de kade begaan

met de zielen terug. Zijn Utopia,


om zijn hoofd een gouden krans van stralen,

Zijn glans verstild als door pasteltinten,

trekt hij verder, verlatend de schare.

Onder een lucht met grauwige wolken,


beklimt Hij de heuvels, een gestalte

op een einder achter de Grote Kerk,

die wis omkeerde: Zijn schoonste halte

wachtte Hem in Breda’s oudste reliëf

Drenkeling


In een sprong laat ik de wolken golven
de hemel zeven door lelies van broos licht
verstil ik in een zwellende schaduw
tot een zuil van mijmeringen, verdikt

een algenregen zich duister om mij heen
zijn er beelden van dwaze drenkelingen
in een watertango bij de bodem van ‘t meer
zinkend in een diepte maar dalende alleen

waarna jij me losliet, de lente in elegieën
uiteen brak, mijn waden nu sloom en moe
in dit elysium zakt, terwijl jij toch mijn lied
in elke stille ontwakende meimorgen was

Onze spreeuwen

Op het blad in de tuin glinsterende dauw

transparant als de vleugel van een insect

met nerven van een opdoemend lichtgrauw

dat versomberde bij onze langste herfst

 

Aan de schutting zwegen de bijenhotels

en bungelden in de struiken bramen

doorgerijpt en aangevreten. Appels

rotten onder de boom die zonnebanen

 

en schaduwvlekjes wiebelde op je lokken

bij de stinkende vijver waar jij spiedend

tussen de waterlelies en het kroos

 

naar kikkers zocht. Hoe je maar bleef bokken

naast je koffer in de gang en je speeldoos

met de deksel scheef en je rust veinzend

 

de straat uitreed, mij aankeek, wijzend

naar de lucht en droef het zwieren, sprakeloos

onze spreeuwen op de galm van kerkklokken

 

 

Als ik straks ga

Wees niet boos, mijn lief
Omdraaien en naar je zwaaien
Zal ik niet
Als ik straks ga, beetje voor beetje
Tuimel je uit mij, met details, feitjes
En je plagerijtjes

De geur van bloemen in je hals
Van nectar, vond ik je mond
Duizelend
Begon die wankele reis met jou
Als een dagpauwtje op de heiwind
Naar de zon

Rouw niet om wat gewis wegglipte
Uit de diepte van onze hoop
Voel maar
Ook een vlinder is gelijk onze liefde
Net als zij, gaat ze dartelend heen
Alleen sterft zij al na een jaar.

 


Waterval

Je stille lippen, met een strootje
streel ik ze, loom
vaart je lazuren blik

mee op de bloesemrijke hemel
een lentecaleidoscoop
die ons verstart in climax

schepping, symbiose en ook
bezonkenheid, wij zijn
watervallen barend maanlicht

Het strootje in je witte mond
trilt in de schaduwvlekken
van illusoire wolken, de water-

val van toen is een kale rots
zinnen missen de woorden
het zwijgen stille deelneming

Bruisfontein

In het park rijst de fontein in zijn lafenis

zwiert een slinger van water over de vijver

in een zilver dat de wind vernist. Zijn wijzer

priemt een parabool van lichtkristallen, die likt

 

aan de stand van zijn klok en door steen omrand trilt:

vanaf het zuiden rond twaalf uur, het westen tien

voor, het bassin biedt altijd soelaas; de narcist

schoon zoek treft er zijn schaarse evenknie, en wie

 

verdwaald door het leven zwalkt een ondiepe plomp

die hem daarvan niet berooft, maar een bruisfontein

die in raadsels spreekt met woorden van stilte, lonkt

met parelen fris, en ruisende mijmerij

Klaprozen


Langs bermen waarin klaprozen

Ruisen buitelen vlinders op

De heiwind, versmelten schoven

Zonlicht met de horizon, lost

Klaprozen

De golfslag van korenhalmen

En riet op in het blauw van

Je irissen. In het talmen

Van je kozen, duistert een kant

 

Van jou zwijgend. Er is geen wil

Om te streven naar. Schil voor schil

De jaren afgepeld, barsten

In het gevoel gezet, nachten

 

Gebakend. Laten we de bries

Van onze lente, de lucht

beschreven. Lig ik bij je, wieg

Het welken in jouw toevlucht